AUTEUR:
Daan van Alten


Vrije wil is geen illusie, van Herman Kolk

boekbespreking, november 2012

Temidden van het meningengeweld over het bestaan van iets als een ziel of de vrije wil, zoals je dat aantreft bij Victor Lamme of Bert Keizer, is dit boekje een prettige poging om, uitgaande van hersenprocessen, toch ruimte te vinden voor het hebben van een vrije wil.

Graag probeer ik Kolk te volgen in zijn uitleg, maar ik moet alle zeilen bijzetten, want gemakkelijk vind ik het niet.
Hij bevestigt de mening dat de menselijke wil sterk beÔnvloedbaar is en dat het dus geen wonder is dat een vrije wil, bijvoorbeeld door Swaab, een illusie wordt genoemd. Inderdaad reageert de mens vaak onbewust en automatisch.
Toch meent hij dat de mens ook vrijwillige en bewuste keuzes kan maken, dat de wil beÔnvloedbaar is. De evolutie heeft niet alleen dat automatische, maar ook het vrijwillige mogelijk gemaakt, omdat dit gunstig zou zijn voor de ontwikkeling van de soort. Het geloof in de vrije wil heeft geleid tot een meer sociale opstelling t.o.v. de medemens. Dat hij in die zin spreekt van een 'geloof' in de vrije wil, maakt me overigens wat achterdochtig.

"Hoe zouden neuronen iets te willen hebben?" Vraagt Bert Keizer zich ironisch af. Eenzelfde vraag: Hoe kunnen hersenen iets 'willen'? probeert Kolk serieus te beantwoorden. Hersenen vormen een biologisch apparaat vol vormen van terugkoppeling waaruit op een gegeven moment een gewenste eindtoestand voortkomt. Vaak is daarvoor helemaal geen bewuste beslissing nodig. Het gebeurt toch wel.
De mens kan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de kikker, de macht der gewoonte doorbreken, een automatisch patroon vervangen als nieuw gedrag meerwaarde blijkt te hebben. Bij 'willen' gaat het om gedragsverandering in een nog meer gewenste richting. Het doorbreken van een automatisme komt tot stand door aandacht.

Als aan een stimulus echt aandacht wordt gegeven, wordt die stimulusinformatie sterk geactiveerd. Een bewuste prikkel brengt een veel sterkere activiteit in het brein teweeg dan een onbewuste en verspreidt zich over een veel groter gebied in de hersenen. Je kunt het een soort 'globalisering' van informatie noemen. Er worden heel verschillende soorten informatie bij elkaar gebracht.

De hersenen concentreren zich dan op iets en dat gebeurt zonder beslissende instantie. Er is niet een 'mensje in ons brein' dat om aandacht roept. Het brein ontvangt informatie uit de omgeving. Bepaalde informatie creŽert automatisch gedrag, maar er is ook 'evaluatieve informatie' die uit jezelf komt, emoties. Kolk vindt dat een fundamenteel ander type informatie. Die kan gedragspatronen overrulen en vervangen door alternatieven, vooral als we daar meer opbrengst van verwachten. Als er sprake is van mogelijke conflicten tussen oude en nieuwe gedragspatronen, kunnen wij daaruit de beste kiezen op grond van hun toegevoegde waarde.
Voor dit proces is selectieve aandacht verantwoordelijk, zegt Kolk en dan volgt: "Hierdoor zijn wij in staat tot vrijwillig gedrag. Omdat aandacht gestuurd wordt door het principe van toegevoegde waarde, kunnen we vrijheid realiseren. Aandacht maakt ons vrij."
Het kan aan mij liggen, maar deze stap kan ik niet meteen meemaken. Wat is er vrijwillig aan als mijn hersenen aandacht vragen voor iets bijzonders waarop ik zodanig reageer dat ik er beter van wordt? Hoe maakt Kolk deze stap?

De mens, zegt hij, heeft vele omgevingen en situaties meegemaakt. Op basis daarvan kan hij zich nieuwe situaties voorstellen en daaruit kan hij kiezen. Bij dat proces is de 'innerlijke spraak' van groot belang.
De hersenen registreren tot in detail wat voor ons als individu van waarde is. Nadat hersenstructuren zorgden voor gedragsverandering in een meer gewenste richting, komen er woorden beschikbaar, een soort innerlijke spraak, en dat kost enige tijd. Je word je bewust van je keuze.
Je denkt: ik wil dit.

Het is wellicht aardig om op dit punt even aan een hond te denken die een opdracht krijgt van zijn baas. De hond 'wil' eigenlijk liever iets anders, bijvoorbeeld omdat hij dat gewend is. Maar ja, de baas is wel de hand die hem te eten geeft. Er is aarzeling, maar tenslotte besluit hij om te gehoorzamen.
Was er tijdens die aarzeling ook zoiets als innerlijke spraak? Heeft de hond bewust (opgeroepen door de speciale aandacht van de baas) overwogen om het een of het ander te doen? Of is het nemen van de beslissing een semi-automatisch gevolg van besef dat het een meer oplevert dan het ander? En waarom zou dat bij de mens niet net zo zijn, alleen dan wat ingewikkelder? Waar ligt toch die keuzevrijheid?

Er is communicatie van de hersenprocessen naar innerlijke spraak (we denken dat we iets willen), maar tegelijk gaat die innerlijke spraak de hersenprocessen sturen (sturend bewustzijn). Door ons 'gesproken taal' voor te stellen krijgen we de mogelijkheid onze onbewuste hersenprocessen en daarmee ons gedrag te sturen. Innerlijke spraak laat zien dat ons bewustzijn fundamenteel zintuiglijk is. Het geeft ons niet alleen een rijk beeld van de zintuiglijke werkelijkheid, maar stelt ons ook in staat ons gedrag te sturen en te interpreteren.

Chronologisch samengevat:
  1. Er is een conflict tussen gedragspatronen
  2. Dat conflict moet worden opgelost en daartoe wordt aandacht gemobiliseerd.
  3. We stellen ons voor wat zou kunnen gebeuren en daarvoor hebben we mogelijke gedragspatronen beschikbaar.
  4. We kunnen het meest geschikte gedragspatroon kiezen op grond van haar toegevoegde waarde.
  5. We kunnen automatische reacties op de voorgestelde situaties overrulen en vervangen door alternatieven met grotere verwachte opbrengst.
Vele eigenschappen liggen bij de geboorte vast, daarom ziet Swaab de vrije wil als een illusie. Het hebben van bepaalde eigenschappen beperkt je soms inderdaad in je vrijheid, zegt Kolk, maar zelfs dan houd je nog vele mogelijkheden over om te bereiken wat voor jou van waarde is. Vele externe factoren oefenen alsnog invloed uit op gedrag. Daar zit wel degelijk keuzevrijheid van het individu.

De eigenschappen die we als mens bezitten worden bepaald door een samenspel van aanleg, gebeurtenissen tijdens de zwangerschap en latere ervaringen. Maar welke combinatie van eigenschappen een bepaald individu ook karakteriseert, hij of zij blijft vrij om binnen bepaalde grenzen te bereiken wat van waarde is.

Met Swaab zegt Kolk: onze hersenen scheppen onze geest. Alles berust op hersenprocessen. Toch zijn we niet ons brein. Het brein schept de geest en wij zijn die geest. Onze geest komt overeen met wat we ons bewust zijn. We leven in een zintuiglijke werkelijkheid van beelden, geluiden en gevoelens. Die werkelijkheid interpreteren wij met behulp van taal. Al onze zintuiglijke ervaringen bij elkaar, dat zijn wij.
Als Kolk zo benadrukt dat de omgeving belangrijk is voor de geest, doet me dat denken aan wat volgens Keizer gezegd wordt door de neurowetenschapper NoŽ:

"De ziel is iets dat we doen. De ziel is niet iets dat in onze hersenen zit of waar dan ook, het is een samenspel tussen brein, lichaam en wereld. Voor 'bewustzijn' heb je, behalve een brein, ook een lichaam en een wereld nodig."

Tenslotte verklaart Kolk de mens verantwoordelijk voor de keuzes die hij in vrijheid kan doen. Zijn gedrag is in belangrijke mate vrij omdat het gebaseerd is op waarden. Wie de waarden van de gemeenschap waarin hij leeft niet accepteert, plaatst zichzelf buiten die gemeenschap. Je bent daarvoor verantwoordelijk.
Crimineel gedrag impliceert een afwijzing van de waarden van de gemeenschap. De gemeenschap heeft dus het recht de daders ter verantwoording te roepen.

Ook al wens ik iedereen de vrije wil toe, en ook al voel ik me verantwoordelijk voor mijn eigen keuzes, toch blijft er iets zeuren. Is deze wens bij velen niet de vader der gedachte? Als er geen vrije wil is, dan ook geen verantwoordelijkheid en wat voor samenleving krijg je dan?
Hoe begrijpelijk ook, toch vind ik dat je bij het hersenonderzoek (of wel wetenschappelijk onderzoek ook) niet geleid mag worden door een gewenste uitkomst. Als blijkt dat al mijn gedragingen reacties zijn van mijn hersenen op prikkels uit de omgeving, uit mijn lichaam en uit mijn eigen brein, dan lijkt vrije wil inderdaad de benaming van een fantoom. We leven ermee, profiteren ervan, werken ermee. We geloven erin, zoals in een god.
Als vrije wil niet werkelijk is, zullen we op den duur (en dat kan nog lang duren) wellicht niet meer verantwoordelijk blijken voor onze zogenaamde keuzes. Het boezemt me niet echt angst in, moet ik zeggen, want de hersenwetenschap staat nog maar in de kinderschoenen. Vooralsnog lijkt het me verstandig om de hypothese van vrije wil aan te houden. Mocht later anders blijken, dan ben ik er niet meer en ik weet niet of ik dat erg vind.